Afspraken i.v.m. het schrijven van een wetenschappelijk eindwerk

 

Hieronder vinden jullie algemene richtlijnen die gehanteerd worden bij het schrijven van wetenschappelijke literatuur (met bijzondere aandacht in de partims wettenschappelijke rapportering en project). Daarnaast kan het ‘Vademecum van de scriptie’ van Mevr. Van Bergen gebruikt worden als bijkomende informatiebron rond gebruik lay-out bij een eindwerk.

 

I.          Indeling

 

·         De indeling van het eindwerk is als volgt:

 

-       Kaft

-       Schutblad (blanco blad)

-       Titelblad

-       Voor akkoord verklaring aangevuld met de zin Dit eindwerk is een examen; eventuele fouten die worden vastgesteld tijdens de eindwerkverdediging  of erna werden niet gecorrigeerd. Het gebruik als referentie in publicaties is toegelaten na goedkeuring van de stagebegeleider, vermeld op de titelbladzijde.

-       Woord vooraf

-       Samenvatting

-       Gebruikte symbolen en afkortingen

-       Verklarende woordenlijst

-       Lijst van tabellen en figuren

-       Inhoudstafel

-       Inleiding/probleemstelling/situatieschets

-       Literatuurstudie (maximaal 10 bladzijden figuren niet mee gerekend)

-       Materialen en methoden

-       Resultaten

-       Discussie

-       Besluit (minimaal 1 bladzijde t)

-       Lijst met gebruikte apparatuur en reagentia (kan ook opgenomen worden in ‘materiaal en methoden’)

-       Literatuurlijst

-       Eventueel bijlagen

-       Schutblad

-       Achterkaft

 

Alles tezamen zonder bijlagen zou dit op een 40-tal bladzijden moeten komen.

 

·         Het woord vooraf heeft een sterk persoonlijk karakter en behandelt zaken die weinig of geen verband houden met het onderwerp. Dit is het enige stuk in het eindwerk dat in de ik-vorm geschreven wordt.

Gebruik voor de rest steeds de 3de persoon enkelvoud en schrijf in de actieve vorm. Gebruik de tegenwoordige tijd.

 

·         De samenvatting wordt als laatste geschreven en bevat kernachtig de situering, de probleemstelling en het besluit. De samenvatting bedraagt minimaal twee alinea’s tot maximaal twee pagina’s.

 

·         In de lijst van symbolen en gebruikte afkortingen worden alle in formules gebruikte symbolen en afkortingen van vaktermen verklaard, ook al zijn deze reeds ingeburgerd. In de lijst worden eerst de afkortingen en symbolen vermeld die beginnen met getallen. De rangschikking is vervolgens alfabetisch (eerst volgens het Latijnse en vervolgens volgens het Griekse alfabet). Als je afkortingen gebruikt, eerst éénmaal voluit schrijven met de afkorting tussen ronde haakjes. Daarna mag je steeds de afkorting gebruiken.

 

·         In de ALFABETISCHE verklarende woordenlijst worden weinig gangbare woorden verklaard. Je hoeft in de tekst niet aan te duiden welke woorden verklaard worden.

 

·         De tekst moet volgens een logische structuur ingedeeld worden. Deze indeling wordt weergegeven in de inhoudstafel. Deze moet zeer duidelijk en overzichtelijk opgesteld worden (zie in het vademecum hoe je dit automatisch kunt doen). Gebruik bij voorkeur een decimale indeling en vermijd om met meer dan vier niveaus te werken.

 

·         In de inleiding (1 à 2 bladzijden) beschrijf je:

 

- waar je het eindwerk uitgevoerd hebt;

- wat de aanleiding is tot het onderzoek en de doelstelling van het eindwerk;

- hoe je het aanpakt;

- de probleemstelling.

 

In de inleiding worden geen resultaten besproken.

 

·         In de literatuurstudie (maximaal 10 bladzijden) beschrijf je structureel wat er rond het thema van je eindwerk terug te vinden is in de literatuur. Dit is een combinatie van technische aspecten, pathologie, overzicht voorafgaand onderzoek, gevolgen en effecten door een bepaald gegeven. Je eindigt met een link naar je experimenteel gedeelte (meestal gekoppeld aan de doelstelling van jouw eindwerk).

 

·         In materialen en methoden beschrijf je droog (min of meer een opsomming) de verschillende gebruikte technieken, protocols, formules voor berekeningen, apparatuur en materialen. Probeer dezelfde volgorde van opsomming te gebruiken zowel in dit hoofdstuk als bij het hoofdstuk resultaten.

 

·         In resultaten geef je een duidelijk (met figuren en tabellen) overzicht van alle gevonden resultaten. Dit moet overeenkomen met wat beschreven staat in het hoofdstuk materialen en methoden.

 

·         In discussie ga je de gegeven resultaten en berekeningen bespreken. Hier is je vermogen tot kritische zijn van zeer groot belang. Dit hoofdstuk wordt vaak samen genomen met het hoofdstuk resultaten of met het besluit.

 

·         Het besluit (1 à 2 bladzijden) moet aansluiten op de doelstelling en probleemstelling die in de inleiding geformuleerd werd. Je formuleert besluiten en eventuele aanbevelingen voor het praktisch gebruik van het bereikte resultaat of voor verdergaand onderzoek.

Het besluit kan autonoom (d.w.z. zonder lectuur van de voorgaande bladzijden) gelezen worden. Verwijs dus niet naar vroegere hoofdstukken.

 

·         De literatuurlijst wordt als volgt opgesteld:

 

ü  De juiste vermelding naar een boek (inclusief cursivering en leestekens) volgens de standaardregels van de American Psychological Association staat hieronder:
Auteur, A. (1998). Dit is de titel. Eventueel ook nog een ondertitel. Plaats: Uitgever.

ü  Een tijdschriftartikel
Auteur, A. (1998). De titel van het artikel in gewone stijl. Naam van het tijdschrift cursief, 2 (= 2de nummer in het betreffende jaar), 76-88. (76-88 = vermelding van de paginanummers waar het artikel is te vinden)

ü  Internet

            Auteur, A., Titel webpagina [www], datum, producent webpagina.
URL:
http://www.baddesigns.com/index.shtml (voorbeeld)
Gezien d.d. 4 december 1997. (voorbeeld)

            Opmerking:   de URL wordt steeds op een nieuwe regel geplaatst.

[Type medium]: vergeet de vierkante haakjes niet.

 

·         Het is aan te raden om alle materiaal, welke niet direct noodzakelijk is om de gedachtegang van de tekst te begrijpen, in bijlage op te nemen. Zodoende wordt de tekst veel overzichtelijker om deze oriënterend te lezen. De bijlagen worden dan wel genummerd en betiteld en er wordt naar verwezen in de tekst. Zaken die in bijlage kunnen opgenomen worden zijn onder andere:

 

ü  aanvullende berekeningen of wiskundige afleidingen van in de tekst gebruikte vergelijkingen;

ü  uitgebreide tabellen;

ü  grote tekeningen (schema’s, doorsneden,..);

ü  lijsten met meetresultaten;

ü  gedetailleerde beschrijvingen van zaken die in de tekst slechts oppervlakkig worden behandeld.

 

 

II.            Manier van schrijven

 

·         Een eindwerk is een wetenschappelijke tekst, geen opstel. Schrijf bondig, zakelijk, nuchter en direct. Gebruik korte zinnen (niet teveel bijzinnen). Wees duidelijk: denk aan de interne logica van je betoog en probeer gedachtesprongen te vermijden.

·         Je mag nooit de persoonsvorm ‘ik’ gebruiken (met uitzondering van het voorwoord).

·         Afkortingen als vb. of m.b.t. worden niet gebruikt (altijd voluit schrijven).

·         Geef aan het begin van elk hoofdstuk een korte inleiding/situering. Op deze wijze begrijpt de lezer beter de verbanden tussen de opeenvolgende hoofdstukken.

·         Uit een grafiek is sneller informatie af te leiden dan uit een tabel (eventueel in bijlage bijvoegen).

·         Typfouten, spelfouten, taalgebruik: maak gebruik van spellingcontrole en/of grammaticacontrole van de tekstverwerker. Laat de tekst eens nalezen door een derde persoon.

·         Cijfers lager dan 20 worden voluit geschreven.

·         Engelse termen worden tussen ‘ ‘ geschreven (eventueel cursief).

·         In de tekst wordt steeds verwezen naar de figuren. Deze worden genummerd per onderdeel. Bijvoorbeeld: in het deel literatuurstudie: Fig. 1.1, Fig. 1.2, enz. In het deel materiaal en methoden: Fig. 2.1, Fig. 2.2, enz. Het eerste cijfer verwijst naar het hoofdstuk, het tweede naar het nummer van de figuur in dit hoofdstuk. Nummeren per hoofdstuk heeft als voordeel dat je enkel binnen één hoofdstuk moet aanpassen als er een figuur bijkomt of verdwijnt.

·         Onder de figuur herhaal je het nummer (bijv. Fig. 3.1 …..) gevolgd door de titel.

·         Zelfde afspraken wat de tabellen betreft (verwijzingen, nummering per onderdeel, titel,  …) maar de tekst komt nu boven de tabel.

·         Geen leestekens in titels gebruiken!!

·         Durf opsommingen gebruiken met opsommingtekens.

·         In de tekst wordt er verwezen naar de literatuurlijst. Referenties worden aangegeven door cijfers tussen ronde haakjes, bijvoorbeeld (5). Indien je een referentie herhaaldelijk gebruikt in een paragraaf, refereer dan in de titel of op het einde van de paragraaf.

·         Werk ook zoveel mogelijk met synoniemen zodat dezelfde woorden niet steeds terugkeren.

·         Vergelijkingen krijgen een nummer en verklaring van de gebruikte symbolen:

p.V = n.R.T                                       (3.3)

 

met     p: druk (Pa)

V: volume (m3)

n: aantal mol (mol)

R: gasconstante: 8,314 J.mol-1.K-1

T: absolute temperatuur (K)

·         Ook reactievergelijkingen worden genummerd:

HCl + H2O → Cl- + H3O+                r 3.6

 

·         Laat je tekst nalezen (EERST) door je promotor en eindwerkbegeleider. Hou er rekening mee dat ze tijd nodig hebben om de tekst te lezen. Zorg dus dat hij/zij de tekst tijdig in handen heeft.